Van God komt ’t al

Bij ons in het dorp had je vroeger onderaan de Dijk een bakkerswinkeltje met een trapje naar benêe en een deur die klingelde als je hem open deed. In het bovenraampje van die deur stond een spreuk die me als kind al intrigeerde. ‘Van God komt het al’ en iedere keer als ik er langsliep, aan de hand van mijn vader of moeder, draaide ik mijn hoofd nog even om en las de woorden opnieuw. Diepe, diepe indruk maakten ze op mij, ik proefde ze en herhaalde de boodschap, kort maar zó veelzeggend. Net zoals ik het lijstje voor de kruidenier, een paar straten van ons woonhuis, in stilte opsomde: ‘één pak koffiebonen, twee ons metworst en één ons paardenrookvlees’. Dat laatste woord oefende ik tijdens het fietsen in het dorpse dialect, dat wij thuis niet spraken en dat ik me toch heel graag eigen wilde maken. Ik kan u verzekeren: het woord paardenrookvlees in ons dialect uitspreken is heel erg moeilijk. En iedere keer als ik dan voor de glimmend geboende toonbank stond in die voorloper van de buurtsuper, repeteerde ik een laatste keer op ‘ien oens païrdenrôahkvlaas’. Eenmaal aan de beurt durfde ik het toch niet aan en dreunde ik de ‘boeskippe’ in keurig ABN op. Alhoewel keurig ABN…in een halfslachtige poging er toch bij te horen, spraken mijn broers en zusjes een soort van koeterwaals, een ratjetoe van dialect en Nederlands waarvan ik later op de middelbare school in Amsterdam gelukkig weer afstand kon nemen.

Even terug naar dat bakkertje op de Dijk. Ik probeer te herleiden waarom ik als kind zo begeesterd raakte van die spreuk. Voor het lezersbegrip moet ik er misschien wel bij vermelden dat ik op jonge leeftijd behoorlijk godsvruchtig was. Ik zat altijd vol ontzag in de kerk om me heen te kijken. Vooral in de Heilige Mis van Kerstmis met de geur van dennentakken en 4711, de banken stampvol met vaders en moeders en hun kinderschare. Vrouwen met lak in het hoog getoupeerde haar, hun zwarte winterjas met bontje getooid. De mannen met fris geschoren aftershave kaken, toen zag je amper nog baarden. Ik staarde voor me uit naar het altaar, vol met hoge heren en jonge knapen in lange gewaden, knielend en weer opstaand, zwaaiend met het wierookvat, de handen gevouwen en de blik devoot naar de grond gericht. Dáár, onder het altaar, gebeurde het in mijn kinderbrein. Weet even niet meer of het nu de hemel of de hel was die ik me daar voorstelde maar imponerend was het zeker.

Na de ingelaste persconferentie gisteravond over een nieuwe harde lockdown (AU!) weet ik zeker dat alles van God komt. Geen sterveling, hoe verknipt of slecht dan ook, zou zoiets als Corona en al haar huidige en nog komende varianten kunnen bedenken. ‘God wikt en beschikt’, ook zo’n spreuk uit de oude doos die nu weer opgang maakt. We kunnen mekaar wel de schuld geven of erg boos en chagrijnig worden op Rutte en consorten, maar daarmee komen we niet verder. “Ze moesten ze allemaal doodschieten!”, zo foeterde een dorpsgenoot in een niet-essentiële winkel die gisteren nog open was. Ik schrok ervan, kromp een beetje ineen al zou ik inmiddels gewend moeten zijn aan die felle uitspraak die hier in het dorp wel vaker gebezigd wordt bij onvoorziene en ongewenste zaken. Van God komt ’t al, zou ik hen willen meegeven. En een Zalig Kerstfeest.

One comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *