In het licht.

Ik had beter tot morgen kunnen wachten met het schrijven van mijn column. Dan is het namelijk zaterdag en gebeurt er allicht iets meer dan op een doordeweekse dag. Deze week was weer veel van hetzelfde: wakker worden, opstaan en gewoon weer doorgaan. Dit klinkt heel pathetisch, alsof ik het zo zwaar heb dat iedere dag een worsteling zou zijn om te overleven. Niets is minder waar, gezapiger kan ons leven ondertussen niet meer worden. Er komen weliswaar weer voorzichtige kansjes iets te ondernemen, maar van lieverlee ben ik zelf een tikje te belegen geworden. 

Aan mijn lijf nooit meer polonaise alstublieft, meer dan één evenement in een weekend kan ik eigenlijk niet handelen. De bank in de huiskamer is mijn grootste trekpleister geworden, dat is mijn troon, mijn kleine koninkrijk. Daar ontvouwt zich de drukke buitenwereld vanuit de krant, boeken en tv-scherm in mijn persoonlijke levenssfeer. Ik heb altijd gedacht dat ik een extravert persoon was, graag onder de mensen, haantje de voorste. In mijn agenda was altijd wel een gaatje te vinden voor nóg iets interessants of gezelligs. Maar in de afgelopen twee jaar ben ik daaraan gaan twijfelen. Rust en contemplatie, lekker binnen zitten in mijn eigen domein met mijn eigen privé gedachten. Ik noem mezelf nu Gudy Kaarsje omdat ik iedere schemermiddag bij thuiskomst nogal obsessief de doos met waxinelichtjes pak – vaak met mijn jas en schoenen nog aan – en dan alle houdertjes vul: eentje voor het Jezusbeeld met een hand op zijn bloedend hart, eentje voor de foto van mijn moeder met haar lieve glimlach – ik mag haar nog steeds alles vragen – en als in een laatste slotoffensief een stuk of drie voor het Boeddhabeeldje op het dressoir. Je weet maar nooit wie hoog daar boven luistercorvee heeft. 

Nog even flink doortikken nu, dan kan ik de laptop sluiten en is het weekend echt begonnen. Morgen komen de twee oudste kleindochters logeren, ze mochten aangeven wat ze zaterdagmiddag graag zouden willen doen. Mijn dochter stuurde een spraakberichtje via Whatsapp en ik hoorde twee klare kinderstemmen scanderen: “Zwemmén, zwemmén!!” Ik  moet even snel schakelen, gedachten buitelen over elkaar heen: hmm…zwemmen, chloorlucht, gegalm in de badhokjes, benen scheren, buik inhouden en de temperatuur van het badwater die altijd tegenvalt. Maar ja, alles voor een glimlach van een kind, want die doet je beseffen dat je leeft.

Ik lees de bovenstaande alinea’s even door, wat kan erbij, wat moet eraf en ik stuit op het stukje over de foto van mijn moeder. Een dichterlijke vrijheid was dat, want die foto staat helemaal niet beneden, het voor haar bestemde kaarsje brandt op tafel in het wilde weg. Toen ik de in de kerstvakantie de boekenkast dan eindelijk opruimde en herindeelde, verdwenen een stuk of wat fotolijstjes van overleden dierbaren voorlopig even naar boven in een stapeltje op de linnenkast. Daar wachten ze op mijn volgende bui van opruimwoede en op het moment waarop ik toegegeven heb dat ik geen foto’s om me heen nodig heb om hen te gedenken. Zo zie ik mijn moeder terug in mijn dochters, in kleine gebaartjes en hun oogopslag. In de aanstekelijke manier waarop mijn zussen het uitschateren, in het hardop kreunen wanneer we iets erg lekkers eten of wanneer wij samen ‘bulderen’ van het huilen, zoals Ma dat noemde. Maar toch zet ik haar foto morgenochtend terug in de huiskamer, voor alle zekerheid.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *